Ik doe het niet.

Ik doe het niet.

Ik wilde even lekker een stukje zeuren. Over pubers die geen huiswerk doen. Helemaal niks doen. Over een klus-hut die niet opschiet. Een verkoop die op zich laat wachten. Over opmerkingen die vlijmscherp door je ziel heen gaan. Over dat ik slecht slaap. Over. Over.

Ik doe het niet.

Want zíj staat bij mij in de praktijk. Met een grote emmer perspectief.

Ze vertelt over een gelukkig gezin. Vier kinderen en een man. Allemaal gezond. Ze vertelt over een auto ongeluk. Gelukkig iedereen nog in leven. Maar toch. Ineens een heel ander leven. Haar zoontje van drie brak zijn rug.

Zonder het te weten had die zijn laatste sprint naar de zandbak gemaakt. Zonder het te weten hadden ze elkaar voor de laatste keer door het huis achterna gezeten. Zonder het te weten was hij voor het laatst uit zichzelf en op eigen kracht bij mamma op schoot geklommen.

Een ongeluk. Een stom ongeluk.

Inmiddels is hij negen. Hij zit nog op zijn oude school. Mamma gaat er vier keer per dag naartoe. Ze doet de medische verzorging gewoon zelf. Op school. Ze gaat met ieder uitje mee. Dat moet. Anders kan hij niet mee. Ze heeft een invaliden parkeerplaats bij de school geregeld. Anders krijgt ze hem de auto niet uit.

Bijna dagelijks moet ze zichzelf verklaren, verzoeken doen, discussies voeren. Om op die parkeerplaats te kunnen staan. Gezonde mensen met functionerende benen vinden zo’n lege plek handig. Om snel iets de school in te dragen. Om gauw een lopend kind af te zetten die wat langer over zijn boterham deed. Om? Omdat het makkelijk is. Voor hen.

Zij kan wel wachten. Zo erg is dat toch niet? Mag zij straks. Rolstoel klaar zetten. Kind uit de auto tillen. Vier keer per dag.

Ze lacht. Dapper. Ze vindt het leven nog steeds mooi. Ze geniet nog steeds. Van haar kind. Van haar mooie gezin. Ook al gaan ze elke week naar het ziekenhuis. Ook al ligt ze ’s nachts wakker van de zorgen om zijn medicatie. Ook al heeft ze een dagtaak aan een kind dat de dromen van zijn gezonde geboorte niet waar gaat maken.

Ze zegt. “Die dwarslaesie is niet zo erg. Het gedoe er omheen. Dát is erg.” Ze huilt. Niet om haar zoon. Niet om zichzelf. Niet echt. Ze huilt om de dagelijkse discussie op de parkeerplaats. Ze huilt om het commentaar. Dat ze niet voldoende vriendelijk vroeg. Of ze alsjeblieft op die parkeerplaats mag. Aan ouders zonder kaart. Met een kind dat hard op ze af komt rennen.

Alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

 

Ik wilde even lekker zeuren.

Ik doe het niet.

Ik ga naar huis.

 

Ik heb een zoon te knuffelen. Achterna te jagen door het huis. En hij mag dan zestien zijn. Vandaag wil ik met hem naar de zandbak sprinten.

 

Hallo Leven

Wat heb je sommige mensen

Een ongelofelijk zware taak gegeven.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

zestien − 7 =